Fiscale bijtelling, autokostenforfait of regeling privégebruik auto wordt in de volksmond ook wel bijtelling genoemd.
De bijtelling voor privégebruik van de auto van de zaak werd voor het eerst expliciet opgenomen in de Nederlandse wetgeving in de Wet op de Loonbelasting van 1964, die op 1 januari 1965 in werking trad.
Het is een Nederlandse forfaitaire regeling voor de ondernemer of werknemer aan wie een personenauto of bestelauto van de zaak ook voor privégebruik ter beschikking is gesteld en ook meer dan 500 km. per jaar voor privédoeleinden wordt gebruikt. In privé hoeven geen uitgaven voor de auto te worden gemaakt waardoor men, ten opzichte van iemand met een privéauto, een voordeel behaald.
Volgens de fiscus moet het behaalde ‘voordeel’ worden beschouwd als loon in natura. In de inkomstenbelasting, loonbelasting en omzetbelasting wordt dat voordeel belast. Veel mensen hebben wel eens gehoord van bijtelling of hebben er nu al mee te maken, maar weten vaak niet wat dit nou eigenlijk inhoudt of betekend. Vaak gaat men –ten onrechte– er vanuit dat bijtelling standaard altijd van toepassing is of dat de bijtelling onvermijdelijk is, maar dat is zeker niet altijd het geval.
Naast de wetgeving(en) die betrekking hebben op de bijtelling zijn er met betrekking tot Poolauto’s en Deelauto’s ook een aantal branche specifieke regelingen en uitvoeringsafspraken gemaakt. Alles bij elkaar maakt dat de regels omtrent bijtelling voor leasemaatschappijen, werkgevers, werknemers en particulieren vaak complex en onoverzichtelijk zijn.
Op onze website gaan wij op een aantal punten dieper in op de fiscale en juridische betekenis en gevolgen. Wij beperken ons hierbij tot de ‘normale’ personenauto’s. Bestelauto’s, youngtimers en bijzondere voertuigen zoals politie-, brandweerauto, etc. laten we buiten beschouwing. Ook worden de regels die van toepassing zijn voor rijschoolhouders en de autobranche buiten beschouwing gelaten.
1941 – Inkomstenbelasting:
In 1941 werd onder de Duitse bezetting de toenmalige Nederlandse belastingwet vervangen door een nieuw fiscaal stelsel, geïnspireerd op het Duitse model. Hierin werd loon in natura (zoals het privégebruik van een bedrijfsauto) formeel erkend als belastbaar inkomen. Dit legde de juridische basis voor het later belasten van privégebruik van zakelijke goederen.
1951 – Eerste toepassing voor auto’s:
In 1951 werd het privégebruik van bedrijfsauto’s expliciet benoemd als een voordeel dat tot het loon gerekend moest worden. De term ‘bijtelling’ zoals we die nu kennen werd nog niet gebruikt, maar de systematiek was al aanwezig. Er waren echter nog geen vaste regels of percentages. Dit gebeurde in de praktijk via een forfaitaire waardering van het voordeel, nog niet via een vast percentage. De waarde van het privévoordeel werd vaak:
Werkgevers en werknemers moesten deze voordelen zelf aangeven bij de inkomstenbelasting.
1964 – Formele opname in de Wet op de loonbelasting:
In 1964 werd de Wet op de Loonbelasting 1964 ingevoerd (vanaf 1 januari 1965 van kracht). Hierin werd het privégebruik van de auto van de zaak expliciet benoemd als belastbaar loon in natura. In deze periode werden de regels:
Als een auto van de zaak ook voor privégebruik ter beschikking wordt gesteld, geldt de regeling voor privégebruik auto. Deze regeling is opgenomen in de Wet op de loonbelasting 1964 én in het Handboek Loonheffingen van de Belastingdienst.
Als uit de wetgeving en handreiking privégebruik auto blijkt dat u als werknemer of als ondernemer een auto van de zaak ter beschikking heeft gekregen, dan zal in veel gevallen een vast forfaitair bedrag worden opgeteld bij uw fiscale loon of uw fiscale winst. Uw werkgever moet dan maandelijks een bedrag aan loonheffingen over de bijtelling inhouden en betalen.
Bent u ondernemer dan is dit geregeld in de Wet inkomstenbelasting 2001. Daarbij leidt de bijtelling, of beter gezegd onttrekking, tot een extra te betalen inkomstenbelasting/premie volksverzekering en (eventueel) inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringwet. Voor personen die een resultaat uit overige werkzaamheden genieten, ook wel resultaatgenieters genoemd, zoals freelancers, gelden dezelfde regels voor de bijtelling als voor ondernemers.
Indien er geen administratie is waaruit het privégebruik van de auto blijkt (indien van toepassing), dan is er ook een btw-correctie van toepassing. Dit is geregeld in de Wet op de omzetbelasting 1968. De ondernemer moet dan eenmaal per jaar en wel in het laatste belastingtijdvak van het kalenderjaar de btw voldoen voor privégebruik auto. De verschuldigde btw bedraagt dan 2,7% van de catalogusprijs inclusief btw en bpm van de desbetreffende auto. Dit percentage wordt naar tijdsgelang berekend (het aantal dagen dat de auto mede voor privédoeleinden ter beschikking staat).
De hoogte van de bijtelling is mede afhankelijk van het voertuig dat wordt gebruikt. Daarbij zijn o.a. soort & aard van het voertuig, de brandstof soort, hoogte van de emissie/CO2-uitstoot en datum eerste toelating ook van invloed. Dit is geregeld in de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992. De grondslag voor de waarde van het privégebruik auto is de cataloguswaarde inclusief de btw en de bpm. U kunt de catalogusprijzen van auto’s vinden in een onlinedatabase van de Dienst Wegverkeer (RDW). De RDW legt in deze database de catalogusprijzen vast van auto’s die vanaf 1 januari 2005 voor het eerst zijn geregistreerd. U vindt de database op rdw.nl. Accessoires die door of namens de fabrikant of de importeur zijn aangebracht vóór de datum van toekenning van het kenteken, tellen ook mee voor de grondslag voor de waarde van het privégebruik auto. Andere accessoires tellen niet mee, ook niet als ze vóór de datum van toekenning van het kenteken zijn aangebracht.
De Belastingdienst heeft met de Vereniging van Nederlandse Autoleasemaatschappijen (VNA) uitvoeringsafspraken gemaakt over het tijdelijk gebruik van vervangende leaseauto’s en over de mogelijkheid om een zakelijke auto te huren. De afspraken zien op het al dan niet van toepassing zijn van de bijtelling privégebruik auto conform artikel 13bis van de Wet op de loonbelasting 1964. De regeling Uitvoeringsafspraak Privégebruik Deelauto is op 10 juli 2014 tot stand gekomen in overleg met de VNA, het Ministerie van Financiën en de Belastingdienst/Landelijk Coördinatiecentrum Auto.
De brancheregeling privégebruik deelauto bevestigt dat een zakelijke deel- of poolauto door werknemers privé kan worden gebruikt zonder dat dit tot bijtelling hoeft te leiden. Een belangrijke voorwaarde is dat de werkgever zich als verhuurder gedraagt. De werkgever moet een marktconform tarief berekenen en een sluitende kilometerregistratie laten bijhouden. De in de regeling opgenomen tarieftabel wordt jaarlijks geactualiseerd.
OPMERKING: Het FlexCarss concept is anders, en dus géén zakelijke poolauto of deelauto verhuur door werkgever aan werknemer, zoals omschreven in de regeling Uitvoeringsafspraak Privégebruik Deelauto van de Vereniging van Nederlandse Autoleasemaatschappijen (VNA) en de Belastingdienst.
De vraag of een werkgever aan zijn werknemer een auto ter beschikking heeft gesteld, is soms niet eenvoudig te beantwoorden. Daarom heeft de Belastingdienst in maart 2021 de brochure Handreiking privégebruik auto gepubliceerd. Daarin staat ook artikel: 2.2.4 Specifiek bij gemengd gebruik (zakelijk en privé) van een auto van een derde (zoals deelauto’s en oproepauto’s).
Gemengd gebruik van een auto van een derde kan verschillend zijn vormgegeven. De fiscale gevolgen hangen af van de afspraken en de feitelijke uitvoering daarvan door de werkgever, werknemer en de aanbieder van de auto. Van belang daarbij zijn onder meer hoe de werkgever de aard van een rit aannemelijk kan maken en met wie en onder welke voorwaarden de werknemer een eventuele privérit afspreekt.
Om een goed beeld van de feitelijke situatie te krijgen helpen de antwoorden op de navolgende aanvullende vragen.
⇒ Kan de werknemer zelf de auto voor privéritten reserveren bij dezelfde aanbieder?
⇒ Vindt afrekening van privékilometers door tussenkomst van de werkgever plaats?
⇒ Is de werknemer voor privéritten een zelfstandige contractpartij?
⇒ Zou een willekeurige derde dezelfde auto tegen dezelfde voorwaarden voor een rit kunnen reserveren/huren?
Met de Kamerbrief dd. 15 mei 2024 van de staatssecretaris van financiën, geeft het kabinet invulling aan de aangenomen motie waarin de regering wordt verzocht te onderzoeken hoe de deelauto nader gestimuleerd zou kunnen worden binnen bestaande groene fiscale regelingen voor werkgevers, zoals de MIA, de VAMIL, de EIA en de reiskostenvergoeding. In deze brief wordt uitgegaan van een auto die gedeeld wordt gebruikt. Dat kan zijn vanuit een werkgever die één auto aan meerdere werknemers ter beschikking stelt of een externe aanbieder die auto’s ter beschikking stelt aan een werknemer, al dan niet via diens werkgever.
Na aanleiding van die Kamerbrief heeft de kennisgroep loonheffing algemeen van de Belastingdienst op 14 februari 2025 een aantal voorbeelden gepubliceerd over de fiscale behandeling van het gebruik van deelauto’s door werknemers.
CONCLUSIE: De deelauto is fiscaal niet gedefinieerd !
Met andere woorden, er bestaan fiscaal geen bijzondere regels voor deelauto’s; in de fiscaliteit wordt bij het gebruik van deelauto’s aangesloten bij bestaande regels die gelden voor loon in zijn algemeenheid en vervoer in het bijzonder.
Als een auto door de werkgever aan de werknemer ter beschikking wordt gesteld, én meer dan 500 km. p/j privé wordt gebruikt, moet de werkgever een bedrag tot het loon van de werknemer rekenen. Dit bedrag noemen we de zogenaamde bijtelling.
Dit is van toepassing omdat de werknemer een financieel voordeel geniet door het privégebruik.
De hoogte van de bijtelling is afhankelijk van de auto die aan de werknemer ter beschikking wordt gesteld. De werknemer moet over de bijtelling loonheffing en premies betalen, hierdoor is zijn/haar netto loon lager. Een aantal zaken zijn van belang:
Voorbeeld: De werknemer vergoedt de gehele leaseprijs aan de werkgever en krijgt van de werkgever een vergoeding voor de variabele reiskosten.
In dergelijke situaties is er – volgens de Belastingdienst – ook sprake van een ter beschikking gestelde auto. Dit standpunt lijkt juist.
Als de werknemer meer aan de werkgever heeft betaald dan hij heeft ontvangen, dan is dit meerdere aftrekbaar als eigen bijdrage.
Als werknemer zijn er maar drie momenten waarop je kunt kiezen om wel of geen bijtelling toe te passen:
1) elk jaar per 1 januari.
2) als je van werkgever wisselt.
3) als je voor het eerst een zakelijke auto van de zaak krijgt.
BLIJF OP DE HOOGTE :
VOLG ONZE SOCIALS :
© 2025 Alle rechten voorbehouden – FlexCarss Nederland B.V. | Design by Quest AI Solutions